Hieronder verstaat men verschillende teelten per jaar per perceel (slasoorten, wortelen, primeuraardappelen, spinazie).
Meer nog dan bij de extensieve groenteteelt, ligt bij een intensieve teelt meer de nadruk op de vroegrijpheid van de gewassen, de bewerkbaarheid van de bodem en de toegankelijkheid van het terrein als doorslaggevende criteria in de bepaling van de bodemgeschiktheid. Natuurlijk zijn ook de specifieke gewaseisen naar de bodemvruchtbaarheid, vochthoudend vermogen en verluchting toe, belangrijk om een optimale productiviteit te garanderen.
Naast de gewaseisen zijn er echter nog andere aspecten welke in rekening moeten gebracht worden. Om meerdere teelten per jaar mogelijk te maken, moet relatief vroeg gestart worden met planten en werkt men langer door in het najaar. Dit vereist een relatief licht, goed gedraineerde bodem, welke snel opdroogt in het voorjaar en ook in het najaar langer droog blijft. Zwaardere gronden kunnen dikwijls niet op tijd plantklaar gemaakt worden, omdat ze in het voorjaar nog relatief nat zijn en vlugger te nat worden in het najaar.
De oogstbaarheid van het product is eveneens belangrijk. De zandleemgronden geven hogere opbrengsten dan de zandige gronden maar bij natte weersomstandigheden is het berijden van het veld en het oogsten zeer moeilijk en veroorzaakt men blijvende schade aan de structuur van de bouwvoor. Bovendien kleeft er bij de wortelgewassen, op de zwaardere gronden, veel tarra aan de wortels. Daarom zijn de lichte zandleemgronden en de vochtige zandgronden te verkiezen boven de zwaardere leem- en kleigronden.