Glasteelten

Hieronder verstaat men de serreteelten in volle grond(dus de substraatteelt niet inbegrepen). Een beregeningsinstallatie wordt beschouwd als standaard serre-infrastructuur. Het feit dat men onder beheerste omstandigheden werkt, heeft belangrijke consequenties voor de gewaseisen m.b.t. water en voedingstoffen. Men heeft immers de vocht- en voedingsstoffenlevering in handen via de gecontroleerde watertoevoer. Tevens vormen de constructiemogelijkheden en -beperkingen van de serre een belangrijk geschiktheidscriterium.

De bodemgeschiktheid wordt sterk bepaald door de aanwezigheid van de serre infrastructuur. De beregeningsinstallatie, welke als standaard uitrusting wordt beschouwd, komt tegemoet aan de gewaseisen m.b.t. water en voedingsstoffen. Vandaar dat de droge zandgronden, waar meestal een tekort aan water en voedingstoffen optreedt, een kleinere beperking vormen.

Belangrijk bij serreteelt is de doorspoelbaarheid van de grond. Bij teeltwisseling wordt de bodem, alvorens het plantklaar maken, doorspoeld met ontsmettingsmiddel. Om een snelle teeltwissel mogelijk te maken, moeten de bodems vlug opdrogen. Lichte, droge gronden worden geprefereerd. Leemgronden hebben de neiging het water op te houden, waardoor ze langer nat blijven, wat hun lagere geschiktheidscore verklaart. Gronden met een sterke gelaagdheid (profielontwikkeling g) of met een kleisubstraat in de ondergrond doen het water stagneren, waardoor de doorspoelbaarheid bemoeilijkt wordt.

In de matrix zitten deels de constructiebeperkingen van de serre verwerkt. Kleigronden en natte gronden worden uitgesloten omwille van hun lage stabiliteit. Om dezelfde redenen hebben gronden met klei, kleizand of veensubstraat beperkingen naar constructiemogelijkheden toe.