De belangrijkste bodemeigenschappen die bekeken moeten worden bij de beoordeling van de bodemgeschiktheid voor fruit zijn de bodemtextuur, de waterhuishouding (drainagetoestand), profielontwikkeling en humustoestand. Alhoewel de gewaseisen verschillen naargelang fruitsoort, variëteit en onderstam, is het toch de bedoeling enkele vuistregels op te stellen.
Doorgaans kan gesteld worden dat de waarde van de bodem voor fruitteelt stijgt in verhouding tot het gehalte aan fijne bodemdeeltjes; dus naarmate het gehalte aan leem toeneemt (van 0 tot 100%) en het gehalte aan klei (van 0 tot 25 à 30%).
In Vlaanderen zijn dus de leemgronden (textuur A) de beste gronden voor alle fruitsoorten en variëteiten. De zandige texturen S en Z zijn slechts in enkele gevallen gunstig voor de fruitteelt.