Alhoewel de verschillende akkerbouwgewassen uiteenlopende eisen stellen aan de bodem, werd er toch voor gekozen hun bodemgeschiktheid als één groep te behandelen. De reden hiervoor is dat ze, in vruchtwisseling met elkaar, op dezelfde gronden worden aangeplant.
Gezien hun optimale voedingstoestand en vochthoudend vermogen geven de akkerbouwteelten de hoogste opbrengsten op de matig gleyige zandleem- of leemgronden.
Voor maïs geven de kleigronden alsook de lichtere gronden een goede opbrengst. Maïs is minder eisend wat de voedingstoestand betreft. Het vochtleverend vermogen vormt een belangrijk criterium. Vandaar dat bij de lichtere gronden de droge exemplaren te laag scoren en de vochtigere het uitstekend doen.